The Killing of a Sacred Deer
Visages villages
Happy End
A Ghost Story
Battle of the Sexes
Marius Holst (foto Nadine Maas) Marius Holst over King of Devil's Island

Ontsnappen uit het jongens-Alcatraz

De Noorse regisseur Marius Holst nam een hypotheek op zijn huis om de jongensgevangenisfilm King of Devil's Island te kunnen maken: "Het heeft me nogal wat moeite gekost om niet aan de bloeddorst van de toeschouwers tegemoet te komen."

En soort Escape from Alcatraz, maar dan door jongens, waarvan het niet eens zeker is of het criminelen zijn. Zo laat de Noorse film King of Devil's Island zich nog het beste omschrijven. Regisseur Marius Holst (1965) dook in de geschiedenis van het fjordeneiland Bastøy, waar van 1900 tot 1953 een internaat voor onhandelbare en soms jeugddelinquente jongens was gevestigd. Hij volgt gevangenen C5 en C19, de timide Ivar en de stoere Erling die vastbesloten is om te ontsnappen, totdat een opstand onder de jongens tegen het sadistische regime hun dromen in een woeste stroomversnelling brengt. Holst was vorige maand in Leeuwarden, waar zijn film het Noordelijk Film Festival opende: "Ongewenste, uitgekotste kinderen kwamen naar het eiland toe om hun begeleiders aan te vallen. Dan moet er wel iets heel serieus aan de hand zijn geweest."

De film opent met de beroemde woorden 'gebaseerd op ware gebeurtenissen', en dan is het natuurlijk altijd de vraag hoe 'waar' die 'ware' gebeurtenissen waren. Zoals bij elke historische film hebben we veel gebeurtenissen moeten fictionaliseren, karakters moeten verzinnen en meerdere verhalen moeten indikken om er een dramatisch geheel van te maken, en daarmee weer een 'ware geschiedenis' te maken. Maar dit instituut, deze vreemde mix tussen een kostschool en een jeugdgevangenis, heeft echt bestaan op het Noorse fjordeneiland Bastøy, even buiten de kust van Oslo, en het isolement, de manier waarop het werd geleid, de almacht van de directeur, de straffen, het misbruik, dat is allemaal op historische bronnen, dagboeken en het archief van de instelling gebaseerd. Ik heb met een aantal mannen gesproken die daar in de jaren dertig en veertig hebben gezeten, en hun verhalen heb ik gebruikt om te vertellen hoe het in 1915, vlak voor de beruchte opstand moet zijn geweest. We hebben zo als het ware onze versie van wat er gebeurd zou kunnen zijn heruitgevonden.

Hoe raakte u in dit verhaal geïnteresseerd? Ik ben in Oslo opgegroeid, en iedereen uit Oslo kent de legendarische reputatie van het eiland. Bijna als een soort Alcatraz. Het is nu trouwens nog steeds een gevangenis, maar dan een van de meest vooruitstrevende in zijn soort: een open, ecologische gevangenis waar mensen die hun straf bijna hebben uitgezeten naartoe gaan om te werken en te leren zich weer in de maatschappij te voegen. De mensen die daar hun straf hebben uitgezeten schijnen op korte termijn veel minder vatbaar te zijn voor recidive. Maar mijn interesse in het eiland was aanvankelijk oppervlakkig en een beetje sensatiebelust. Pas toen ik me in de geschiedenis van het eiland ging verdiepen, bijna als een privédetective van het verleden, in allerlei verscholen staatsarchieven, raakte ik er steeds meer door gegrepen. En daar had ik alle tijd voor, want het was een lastige film om te produceren. Net zoals in de Nederlandse waarschijnlijk, gaat er ook in de Noorse filmindustrie maar weinig geld om; dus een kostuumfilm is al per definitie risicovol. Het was geen familiefilm, niet gebaseerd op een bestseller, dus al bij voorbaat kansloos. Om het laatste gedeelte van het budget bij elkaar te krijgen heb ik een hypotheek op mijn huis genomen.

In een rustig tempo werkt de film naar de opstand van 1915 toe, maar het lijkt wel alsof u niet per se een film over de rellen heeft gemaakt. Gek genoeg zijn de rellen lange tijd een beetje een ondergesneeuwd onderwerp geweest. Er wordt wel melding van gemaakt in de kranten uit die tijd, maar alleen in kleine berichtjes. De insteek was dat een groep onhandelbare jeugddelinquenten staatseigendommen had vernield, en dat het leger daar gelukkig de orde weer kon herstellen. Dat kun je op veel manieren interpreteren.
Wat mij vooral trof was het feit dat als een kind, of een jonge man anno 1915 in opstand kwam tegen een volwassenen, tegen het gezag, dat er dan een hoop aan de hand moest zijn. Dat was zeer ongewoon. Laat staan bij deze kinderen die onderaan de sociale ladder stonden. Ongewenste, uitgekotste kinderen, niet eens per se allemaal criminelen. En die kwamen ertoe om hun begeleiders aan te vallen. Dan moest er wel iets serieus spelen. Ik denk dat dat hele proces mijn grootste aandacht had. De woede, de moed die ze daarvoor gehad moeten hebben. In die zin is het een film over het hele instituut, en over wat er kan gebeuren in gesloten samenlevingen, waar de onderdrukten op een gegeven moment net zo erg kunnen worden als hun onderdrukkers.
Dat is vandaag de dag nog steeds een relevant thema, en niet alleen maar een verborgen hoofdstuk uit de Noorse geschiedenis.

Macht corrumpeert... Macht corrumpeert in gesloten, dictatoriale samenlevingen waarin onderdanen ontmenselijkt worden. Dat gaat verder dan de vraag of het slecht is wat daar gebeurt, of dat mensen slecht zijn. De paus is slecht. Natuurlijk. Maar wat nog slechter is dat er onder zijn hoede dingen gebeuren die hij besluit te gedogen. Op dezelfde manier waarop Stellan Skarsgård, die de directeur speelt, besluit om het seksueel misbruik van de leraren te negeren.
Het gaat erom dat mensen met de beste bedoelingen, of het nu politici of religieuze leiders zijn, vatbaar zijn voor corruptie. Ik wilde die parallel met de film kunnen trekken.
In deze film, omdat hij over volwassenen en kinderen op een eiland gaat, heeft dat bijna een mythologische dimensie, want het maakt ook duidelijk wat de impact van het gedrag van volwassenen op kinderen is. De jonge mannen die uiteindelijke die minimaatschappij hebben verlaten zijn geen goede burgers geworden, die zijn niet allemaal loyaal en barmhartig, die zijn een spiegel van hoe hun toezichthouders zich tegenover hen hebben gedragen.

Hoopvol is het niet. Nee. Hoopvol is het niet. Maar het is ook allemaal niet zo hoopvol. Tegen de tijd dat die man op z'n rug in de schuur ligt, wil je als publiek ook dat de jongens hem zullen doden. Dus het heeft me nog heel wat moeite gekost om hem in leven te houden en niet aan de bloeddorst van de toeschouwer tegemoet te komen. Maar het is natuurlijk nog veel erger. Want het is ook realistisch. Meestal komen de slechteriken gewoon weg met wat ze hebben gedaan.

En de helden overleven ook niet per se — althans niet in uw film. De meeste jongens die naar Bastøy werden gestuurd, doorgaans slechts voor lichte vergrijpen, wachtte als ze na een paar jaar van het eiland afkwamen een carrière in de misdaad, of ze werden alcoholist. Het stigma dat ze een jongen van Bastøy waren, was zo groot, dat de mannen die ik erover heb gesproken, die nu toch allemaal in de tachtig zijn, zich er nog steeds voor schamen. En ze schamen zich zo voor wat ze daar hebben meegemaakt aan wreedheden en misbruik, dat ze dat proberen te bagatelliseren door te zeggen dat zij het nog relatief goed hebben gehad, vergeleken met anderen.

Dat roept ook vragen op over het gevangenissysteem op zich. Ik heb er nooit in geloofd dat je mensen die anders zijn zou moeten uitsluiten, of dat je mensen die je als een bedreiging of een gevaar beschouwt zou moeten isoleren. Ik heb drie jaar op een gesloten psychiatrische afdeling gewerkt, en wat je daar ziet is een volkomen parallelle wereld, waar de meeste mensen nooit iets van te weten zullen komen. Dat is niet goed.

Was dat ook van invloed op het maken van deze film? Ja, natuurlijk. En ook het feit dat ik als kind naar een zomerkamp ging op een van de andere fjordeneilanden. Gewoon een leuk zomerkamp voor kinderen van werkende ouders. Maar gek genoeg met best veel overeenkomsten in de zin dat het alleen jongens waren die op grote slaapzalen sliepen. Natuurlijk, wij mochten voetballen en loltrappen, maar niet te veel want discipline houdt zo'n kamp bij elkaar.  Als je grote groepen jongens bij elkaar brengt en isoleert dan maakt dat een bepaald soort energie en oer-agressie los die moeilijk te beschrijven is.

U wilt veel zeggen met uw film, maar kiest tegelijkertijd voor een observerende stijl, waarin juist weinig ruimte is voor uitleg en grote statements. Ik wilde het systeem ontmaskeren. En laten zien hoe mensen die in dat systeem komen hun identiteit kwijtraken. Dat zijn grote thema's. Daarom heb ik ervoor gekozen om in een verhaal dat potentieel veel ruimte heeft voor melodrama, die vergrotende trap weg te laten. Het drama en het melodrama is er al: het gaat over kinderen die zonder hun ouders op een eiland in de kou slapen. Als je dat nog gaat beklemtonen wordt het snel te veel. Het gaat om de optelsom, het moet onder je huid sluipen.

Geen Charles Dickens? Dat zou niet realistisch zijn. Je ziet deze kinderen in de kou, maar ze zitten niet in een hoekje te rillen, want ze raken gewend aan de kou. Dat is de bittere waarheid. Dat is mijn ervaring. Als je in Latijns-Amerika door de sloppenwijken loopt, dan zie je arme, uitgehongerde kinderen met zweren op hun benen, maar ze lopen wel rechtop. Ze gaan door. Want dát is hun werkelijkheid. Zo zijn kinderen. Ze zijn veerkrachtig. Ze passen zich aan.

Dat is misschien mooi, maar toch ook tragisch: want dan kan het altijd nog erger. Dat was ook mijn ervaring toen ik in de psychiatrische kliniek werkte. Ik was misschien aanvankelijk gechoqueerd door wat ik zag, maar twee maanden later was dat normaal geworden. Dat zijn grenzen die je snel verlegt als je wilt overleven.

Dus is het uiteindelijk een film over overleven? Absoluut. Het verhaal dat Erling over zichzelf vertelt als zeeman is daar het beste voorbeeld van. Hij overleeft door middel van zijn fantasie, zijn verbeeldingskracht, zijn vermogen om verhalen te vertellen. Ik was als kind ook zo'n verhalenverteller. Verbeeldingskracht zorgt ervoor dat je niet gek wordt.

Maar het zijn niet per se degenen met de meeste verbeeldingskracht die in uw film overleven... ...nee, van degenen die het beste zijn aangepast. Dat is misschien cynisch, maar zo is het nu eenmaal. Daarom zitten die walvisverhalen van Erling er ook in. Die geven op z'n minst nog een beetje hoop dat er een wereld buiten het eiland bestaat.

Dana Linssen



top
Artikelen
Filmacademie zoekt nieuwe koers (en directeur)
Nova Zembla De feiten

Interviews
Tilda Swinton over We Need to Talk About Kevin Een nachtmerrie baren
Catherine Deneuve over Les bien-aimés 'Ik mis het verleden niet'
Marius Holst over King of Devil's Island Ontsnappen uit het jongens-Alcatraz
Rafi Pitts over The Hunter 'Mijn neo-realistische western'

Rubrieken
Redactioneel
FilmKort
FilmSterren
FilmThuis
Ingezonden brief
Spotlight Louis Garrel
FilmBoeken Jezus superster
FilmPers
Ebele Wybenga (Upload Cinema) YouTube is de nieuwe MTV
FilmSlot Reis langs filmfestivals
Actie!
World Wide Angle (NL)
Evenementen (Focus)


Recensies
50/50 Gevoel voor tumor
Anonymous Shakespeare, charlatan
Les bien-aimés Sprankelende estafette d'amour
Carnage Oorlog op de vierkante millimeter
Dolfje Weerwolfje De wolf in jezelf
Hasta la vista! Eerst neuken dan sterven
The Hunter (Rafi Pitts) Prooi van het gezag
Hysteria (Tanya Wexler) Jolly Molly en het geheim van het hysterisch paroxisme
King of Devil's Island Rebel of revolutionair
Kyteman: Now What? Een beetje wegspacen
Nannerl, la soeur de Mozart Muziek is een mannenzaak
Nova Zembla De fictie
Ouwehoeren De Mohikanen van de Wallen
Over Canto Een beetje wegspacen
Tinker Tailor Soldier Spy Wie is de mol?
We Need to Talk About Kevin Bestaat het pure kwaad?
Winter Vacation Lanterfanten in Binnen-Mongolië